Brief van beide Generale Oversten van de Karmelfamilie

Jezus Christus, het gelaat van de barmhartigheid van de Vader

Brief van beide Generale Oversten van de Karmelfamilie

Aan de broeders en zusters van de Karmelitaanse families,

Vrede!
Op 11 juni, trokken wij, vergezeld door onze respectievelijke raadsleden en definitors, samen door de Heilige Deur.

Aan de hand van de Moeder van Barmhartigheid, onder de zachte de blik van onze Zuster en Vrouwe, de Heilige Maagd Maria van de Berg Karmel, gingen we op bedevaart, om zo onze intentie te symboliseren, om het doel, barmhartigheid, te bereiken; het verlangen om onszelf te bekeren en barmhartig te zijn zoals de Vader (vgl. Misericordiae vultus – MV 14).

13428562_10153462867721986_862693832365653407_nWij hebben de Sint Pieter in het Vaticaan betreden als een heiligdom van Barmhartigheid, om de mens-geworden Barmhartigheid te ontmoeten, verlangend om zoals de Maagd Maria, op intieme wijze te delen in het goddelijke liefdesmysterie: Jezus Christus (MV 24).

Toen we de drempel van de heilige deur overschreden, bezongen we met haar de genade van de Heer, die in het leven van onze families voelbaar is en zich uitstrekt van geslacht op geslacht (Lk 1,50; vgl. MV 24). We zijn geroepen om, “met een zuiver hart en goed geweten … onze Heer trouw te dienen” (Karmelregel 2); we vervullen roeping met des te meer trouw in de mate dat we haar begrijpen en ons verdiepen in haar mysterie. Wie, beter dan onze Zuster en Vrouwe, kan ons helpen die mooie taak te vervullen! “Zij heeft in haar hart de goddelijke barmhartigheid bewaard in een volmaakte harmonie met haar Zoon Jezus” (MV 24).

“Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader” (MV 1); Daarom, als we daadwerkelijk een krachtig teken willen zijn van het werk van de Barmhartige Drie-eenheid in de wereld (MV 2-3), is het absoluut noodzakelijk dat we stil staan om Hem voortdurend te overwegen; dat we groeien in de kennis van Jezus Christus om in staat te zijn om “de liefde van de Allerheiligste Drie-eenheid te ervaren” (MV 8). Om het jubileum van genade te beleven, moeten we alvorens ons te concentreren op werkzaamheden en activiteiten ten behoeve van anderen, eerst onze blik richten op Hem, die de liefde van God zichtbaar en tastbaar maakt (MV 2-3). Gewoon door naar Hem te kijken en zijn gebaren en woorden te bemediteren, kunnen we onszelf ontledigen en onszelf vrij te maken voor anderen, om in Zijn naam tekenen van barmhartigheid en mededogen te stellen. Dat is het voorbeeld dat onze heiligen, die ons zijn voorgegaan op de beklimming van de Heilige Berg Karmel, ons hebben gegeven: Christus te kennen, om Hem te doen kennen en beminnen.

In deze brief willen wij u daarom uitnodigen om Christus te beschouwen met de hulp van de Heilige Maagd, die haar barmhartige ogen niet van ons afwendt, en het getuigenis van een aantal van onze heiligen. We vragen dat ze ons helpen ons te bekeren, zodat wij apostelen mogen zijn van God, die over onze Orde, de Kerk en de wereld zijn barmhartigheid uitstort, die Hij heeft betoond en wil blijven betonen aan iedereen.

13416911_10153462867901986_2411988173560243004_oVan de heilige Maria Magdalena van Pazzi – van wie we dit jaar de 450ste geboortedag vieren- leren we om ontvankelijk te worden voor barmhartigheid als een goddelijk attribuut, een synoniem voor vrede en verzoening. God heeft alle dingen met grote ordening geschapen, maar ook met een zeer grote barmhartigheid, die voortkomt uit de grote en overvloedige Liefde die Hij heeft voor zijn schepselen. … (De veertig dagen). Zoals al gezegd, is het de Menswording van het Woord, waar de Goddelijke Barmhartigheid zich definitief manifesteert. Zij, die als religieuze achternaam “van het mens-geworden Woord” droeg, begreep dat in de schoot van Maria, de Moeder van Barmhartigheid, God definitief vrede sloot met de mensheid.

Voor de heilige Maria Magdalena van Pazzi vloeit alle Goddelijke Barmhartigheid samen in Christus, waarneembaar in elk van zijn gebaren en woorden. Hij vergeeft zelfs zijn leerlingen, die in de Hof van Olijven in slaap vallen en Hem in de steek laten te midden van zijn gruwelijke doodsstrijd, niet in staat om Hem met hun gebed bij te staan.

Zijn hoofd buigend aan het kruis (vgl. Joh 19:30), verenigd met de Vader, heeft Jezus deze vergeving uitgebreid tot de gehele mensheid, en de opperste daad van barmhartigheid volbracht. “Deze hoogste vorm van vergeving, die aan hen die Hem gekruisigd hebben wordt geschonken, toont ons hoever Gods barmhartigheid reikt.” (MV 24). Maar zijn barmhartigheid houdt daar niet op. Voor de heilige Maria Magdalena blijft de liefde van Christus zichzelf openbaren: “Na te zijn opgestegen ten hemel, aan de rechterhand van zijn eeuwige Vader, blijft Jezus van dag tot dag Zijn barmhartigheid betonen en die barmhartigheid zal Hij betonen al onze dagen tot aan de dag des oordeels. Hij zal deze aanwenden voor al zijn schepselen en toont ons deze deugd door de aanvaarding van zoveel zondaars en het ondergaan van zoveel beledigingen die Hem zijn aangedaan” (De veertig dagen).

De heilige Johannes van het Kruis stelt ons in staat ons inzicht in de persoonlijke dimensie van de Goddelijke Barmhartigheid, die niet uitsluitend uit bestaat uit het sluiten van Zijn ogen voor onze gebreken, te verdiepen en te vergroten. Door Zijn genade doet de Vader ons groeien, tilt Hij ons op en nodigt Hij ons uit om hetzelfde te doen met anderen: “Telkens weer, Heer, heft Gij blij en liefdevol degene op die U beledigt; en ik kom er niet toe, degene die mij ergert weer op te beuren en te eren.” (Spreuken van Licht en Liefde, 44)

Dit verheffen bestaat uit het ons brengen tot de meest intieme gemeenschap met Hem, zoals het “gebed van een op God verliefde ziel” (dat met recht het gebed van barmhartigheid kan worden genoemd), zingt: “Gij zult me toch niet ontnemen, mijn God, wat Gij me eens gegeven hebt in Uw enige Zoon, Jezus Christus, in wie Gij me alles gegeven hebt wat ik verlang? Ik zal er mij daarom over verheugen, dat Gij niet zult talmen als ik van mijn kant blijf wachten.” (ib. 25).

Terwijl Hij in ons woont, tooit Hij ons met Zijn werken; Hij laat ons delen in Zijn attributen (Levende Vlam van Liefde B, 3,6). Dit leidt ons, altijd langs het pad van de contemplatie, naar de vereniging met God, puttend uit de overvloedige bron van schatten die Christus is (Geestelijke Hooglied 37,4).

Johannes van het Kruis zegt dat God de onze wil zijn, Zich aan ons wil geven (Levende Vlam van Liefde B, 3,6); dat is de diepe betekenis van Zijn barmhartigheid: “Het is toch wel de moeite waard dat men het in zich opneemt en er zich over verheugt: dat God geboeid wordt door een haar. De oorzaak van dit zo waardevol geboeid-zijn van God is het volgende: God wilde blijven kijken naar dat speelse bewegen van dat haar, zoals de voorafgaande verzen zeggen. Want, zoals wij gezegd hebben: het kijken van God is hetzelfde als liefhebben. Als Hij dus niet vanuit Zijn grote barmhartigheid naar ons zou kijken en ons het eerst beminnen, zoals Sint Jan zegt (1 Johannes 4), als Hij zich niet zou neerbuigen, dan zou dat speels bewegen van die haar –onze onbetekenende liefde- helemaal geen indruk op Hem maken. Want die liefde zou nooit zo’n hoge vlucht nemen dat zij deze goddelijke vogel vanuit den hoge zou kunnen strikken. Maar doordat zij zich neerboog om ons aan te zien en onze vlucht naar omhoog uit te lokken en onze liefde te verheffen door ze de kracht en de sterkte te verlenen voor deze vlucht… werd Hij zelf geboeid door dat speels bewegen van dit haar, dit wil zeggen daardoor werd Hij zelf verliefd, schepte er behagen in en werd geboeid. Dit is de betekenis van het vers: “Gij vestigde er een blik op en zijt verstrikt gebleven”. Het is toch alleszins geloofwaardig dat een laagvliegende vogel de hoogverheven koninklijke adelaar kan vangen, als die adelaar naar beneden komt en zich wil laten vangen.” (Geestelijke Hooglied 31,8)

Dit werd door de heilige Theresia van het Kind Jezus op dezelfde manier begrepen, en het werd haar persoonlijke ervaring: “Dit is het geheim van mijn roeping, mijn hele leven en vooral het geheim van de voorrechten die Jezus aan mijn ziel heeft gegeven. Hij roept niet degenen die het verdienen, maar degenen die Hij wil of zoals Paulus zegt: God heeft medelijden met wie Hij wil en Hij bewijst barmhartigheid aan wie Hij barmhartigheid wil bewijzen. Het hangt dus niet af van de arbeid van hem die graag wil of van hem die hard loopt, maar van God die barmhartigheid bewijst.” (Ms. A 2r)

Hij is het kippetje dat barmhartig haar jongen onder haar vleugels wil verzamelen (Laatste gesprekken, 7 juni 1). De wereld begrijpt Zijn tederheid niet en verwerpt deze. Dat is de reden waarom Theresia zich vastberaden -tegen de stroom van haar tijd- in de armen van de barmhartige liefde werpt, en zij zichzelf aanbiedt als een slachtoffer, opdat Hij “de golven van oneindige tederheid die in Hem zijn, niet zou tegenhouden” waarmee Hij de mensheid wil overladen (Ms. A 84r). “Aan mij”, bekent ze in haar autobiografie, “heeft God Zijn oneindige barmhartigheid verleend, en door haar beschouw en aanbid ik alle andere goddelijke volmaaktheden! Dan lijken ze me allemaal te stralen van Liefde, zelfs de Rechtvaardigheid … Wat een zoete vreugde is het om te denken dat God rechtvaardig is, dat wil zeggen dat Hij rekening houdt met onze zwakheid, dat Hij de broosheid van onze menselijke natuur kent.” (MS A 83v-84r)

Theresia spreekt niet vanuit de wetenschap of menselijke kennis. Ze vertelt haar eigen ervaring! De ervaring van een liefde die zichzelf vernedert tot in het armste menselijk hart, dat het geneest en optilt zonder te kijken naar de ellende of de fouten. Ze zal ijveren om deze bekend te maken en zelfs aanschuiven aan de tafel van de mensen die zich hebben gedistantieerd, de tafel van de ongelovigen (Ms. C 6r), waardoor ze ons eens te meer doet begrijpen dat alleen degene die de genade ervaart die Christus is, barmhartig kan zijn zoals de Vader.
Dat is wat de zalige Titus Brandsma ons laat zien. Voor hem is de ervaring van God niet het voorrecht van een geestelijke elite: allen zijn geroepen om de gemeenschap en de intieme vereniging met de Barmhartige God te genieten. Hij geeft zichzelf zonder maat en wacht alleen op de ontvankelijkheid van het menselijk hart, Zich aanpassend aan onze concrete omstandigheden, zonder enig deel van onze natuur af te wijzen. Zelfs onze zonden neemt 13450781_10153462872696986_3410726231820847716_nHij op zich, om ons te verlossen en ons verheffen, zoals Hij heeft getoond in de Menswording. Het is noodzakelijk om elke dag te groeien in het begrip van dit mysterie om Hem te kunnen aanbidden, niet alleen in ons innerlijk, maar in alles wat bestaat, en voornamelijk in onze naaste, in wiens dienst we onszelf in concrete situaties moeten plaatsen. Titus geeft ons met zijn eigen leven een voorbeeld: hoewel hij belangrijke taken moest uitvoeren, was er voor hem niets belangrijker dan de aandacht voor degenen die hulp nodig hadden, door dialoog, vermogen tot verzoening, en pastorale toewijding, opgevat als het verlangen om Christus te ontmoeten in de meest behoeftigen. Zijn verbondenheid met het Joodse volk, toen de Duitse bezetter in Nederland antisemitische maatregelen uitvaardigde, is geworteld in zijn liefde voor barmhartigheid en gerechtigheid. Zonder angst voor de gevolgen, plaatste hij zich aan de kant van de wanhopigen. Hij wilde een stem geven aan degenen wiens stem was weggerukt en tegelijkertijd de vrijheid van de katholieke pers verdedigen, door in te gaan tegen totalitaire regels van het nazisme.

Het eindigde voor hem met de deportatie naar de concentratie-kampen, waar hij zeker leed onder beproevingen en vernederingen, maar ook daar bleef hij een apostel van mededogen en verzoening, door het delen van zijn magere rantsoenen met anderen, door hen aan te moedigen, door het biechthoren – zelfs die van een aantal van zijn bewakers! Aan het eind van zijn leven, in navolging van de barmhartige Jezus die op het kruis zijn vijanden vergaf, was Titus het gelaat van de barmhartigheid, zelfs voor de verpleegster die zijn leven beëindigde, zoals ze zelf jaren later in een geheime verklaring opbiechtte, door haar voor zijn sterven zijn rozenkrans te geven.

Zusters en broeders: gesteund door deze, en vele andere getuigenissen van onze familie, durven we in dit jubeljaar vreugdevol de drempel van de heilige deur te overschrijden. Laten wij begeesterd hun voetspoor volgen en onze band met Christus versterken. Laat onze liefde voor Hem toenemen, en belijden we elke dag de liefde die Hij voor ons heeft! Laten we Hem bekend en geliefd maken! Dit is de manier waarop barmhartigheid in de Karmelitaanse familie geleefd moet worden, zeker in een zo bijzonder jaar.

Ja, met onze Zuster en Moeder, Teresa van Jezus, willen we ook zeggen: Moge God voor eeuwig gezegend zijn, Hij die zo lang op ons heeft gewacht! We hebben geleerd om met haar aan iedereen te verkondigen hoe goed en groot de Heer is.

Toen in het Zevende Verblijf, bij het beschrijven van het mysterie van de totale gave van God aan de mens, haar pen stopte bij de afgrond van het onuitsprekelijke dat niet kan worden beschreven, was het haar wens iedereen te vertellen van de goedheid van God, die haar de impuls gaf om door te gaan met schrijven. En ze deed dat om ons te vertellen dat er geen andere manier is om religieus te zijn, dan door vreugde te geven aan de Vader en om slaven van Christus te zijn, wat we bereiken in de mate waarmee we anderen vreugde geven en hun dienaars worden, waardoor we onze liefde voor God en de naaste door middel van daden bekrachtigen (Innerlijke Burcht 7, 4).
Moge het God, op voorspraak van onze zuster de Heilige Maagd van de Berg Karmel en haar echtgenoot de heilige Jozef, behagen dat het hart van Karmelitaanse familie blijft branden met het vuur van de kennis en liefde voor Jezus Christus, zodat wij, die er deel van uitmaken, gedreven door de Heilige Geest, apostelen mogen zijn van de barmhartige Drie-eenheid, en er door onze werken en woorden van getuigen aan iedereen.

Uw broeders:

Fr. Fernando Millán, O.Carm., Prior Generaal

Fr. Saverio Cannistra, O.C.D, Generaal Overste


OCD
OrdoCarmelitarumDiscalciatorum

Karmel Wapen voor website