Moeder Maria Margaretha van den Engelen, Maria van Valckenisse
In de Karmel van Oirschot leeft de herinnering aan Moeder Maria Margaretha van den Engelen, een karmelietes met een diep geloof en een groot verlangen om Jezus liefdevol eerherstel te brengen.
In 1644 was zij op 39-jarige leeftijd de stichteres van het eerste karmelietessenklooster in Oirschot. Zelf was zij ingetreden in de Karmel van Antwerpen, waar zij de laatste novice was in de zalige Anna van Sint-Bartholomeüs. De stichting vond plaats in een moeilijke tijd van godsdienstoorlogen en leek bijna onmogelijk. Toch kwam het kleine klooster tot bloei.
Van jongs af aan hoorde Maria MArgaretha over verwoeste kerken, ontheiligde altaren en de vervolging van priesters en religieuzen. Dit raakte haar diep. Het lijden dat Jezus werd aangedaan door de ontering van geconsacreerde hosties, raakte haar diep. In haar groeide daardoor een sterk verlangen naar eerherstel: zij wilde Jezus troosten en Hem opnieuw de liefde en eer bewijzen die hem werd onthouden. Dit deed zij door gebed, boete en het uit liefde aanvraaden van lijden.
Ondanks haar zwakke gezondheid beleefde zij de Karmelregel in alle gestrengheid. Ze stierf in februari 1658, op 52-jarige leeftijd. Haar lichaam werd in de kloosterkapel opgebaard. De begrafenis werd voorlopig uitgesteld om haar broer, pater Petrus van het Kruis, die op dat moment niet in Nederland was, de kans te geven afscheid te nemen. Het was een ijzige koude winter en het lichaam bevroor volkomen. Toen tijdens de Goede Week de dooi inviel na de strenge winter, begon er olie uit haar lichaam te vloeien. Deze werd eerst met linnen doeken opgevangen en later in kleine flesjes verzameld. Enkele van deze flesjes zijn bewaard gebleven in de Sint-Janskathedraal in ‘s-Hertogenbosch, waar ook haar gebeente rust.
Haar faam van heiligheid verspreide zich snel. Veel mensen kwamen naar Oirschot om te bidden en de olie te vragen. Dit was de protestante overheid een doorn in het oog en in 1663 werd haar lichaam uit het klooster weggehaald en naar de kathedraal in ‘s-Hertogenbosch gebracht, die in protestante handen was gekomen. Kort daarna verlieten de zusters Oirschot en vluchtten naar het Belgische Mol.
Het verlangen dat Maria Margaretha tijdens haar leven koesterde, krijgt een bijzondere betekenins in het licht wat er na haar dood gebeurde: “mocht mijn lichaam na mijn dood tot olie verteren om zo de Godslamp te voeden als een laatste hulde aan Zijn aanwezigheid. Branden uit liefde tot Jezus is zulk een zoet martelaarschap in dit leven, dat ik begeer na mijn dood voor Zijn glorie verteerd te worden.”
Haar woorden getuigen van een liefde die zichzelf volledig wil geven: in leven én in sterven, tot eer van Jezus uit liefde voor Zijn aanwezigheid in de Eucharistie.
